Natuur en cultuur
De bewoners van het gebied leefden oorspronkelijk vooral van de landbouw. Tegenwoordig kent de Achterhoek een schakering aan werkgelegenheid, waarvan de traditionele agrarische sector nog steeds deel uitmaakt en de toeristische sector in belang is toegenomen. Veel inwoners van de Achterhoek spreken nog hun eigen streektaal, het Achterhoeks, dat een Nedersaksisch dialect is. Een typisch Oost-Nederlands gebruik wat men in de Achterhoek terugvindt is de burenhulp, het noaberschap.
In het Achterhoekse coulissenlandschap is veel en geschakeerd natuurschoon te vinden zoals op de Lochemse berg, in boswachterijen te Ruurlo, in de Slangenburg bij Doetinchem en in enkele veengebieden tegen de oostgrens met Duitsland. Het landschap rond Winterswijk is misschien wel het meest karakteristiek voor de Achterhoek. De Achterhoek is rijk aan kastelen en landhuizen.
Kerkelijk kenmerkt de Achterhoek zich door een sterke afwisseling van protestantse en katholieke dorpen (met de mate van onkerkelijkheid is geen rekening gehouden). In het midden is van zuidoost naar noordwest een baan van Dinxperlo, via Varsseveld, Zelhem naar Hengelo aan te wijzen van dorpen met vooral een protestante signatuur, terwijl in de Oost-Achterhoek, alsmede in het zuidwestelijk gedeelte, de dorpen van oudsher in meerderheid als overwegend katholiek zijn aan te duiden.