Vakantieregio Drenthe
Geologie
Het grootste deel van de provincie bevindt zich op het zogenoemde Drents Plateau, dat bestaat uit met zand bedekte grind- en zandafzettingen uit de laatste ijstijd. Er zijn weinig grote hoogteverschillen, het gehele Plateau ligt tussen de 10 en 20 meter boven NAP. De hoogteverschillen die er zijn, worden meestal veroorzaakt door doorsnijding van beekjes en riviertjes, opgehoogde bouwlanden en oude stuifduinen.

In het noordoosten van Drenthe ligt de Hondsrug, een heuvelrug die zich uitstrekt van voorbij Emmen in het zuidoosten tot in de stad Groningen in het noorden. Het hoogste natuurlijke punt, ook van de provincie, ligt 32 meter boven NAP ten noordwesten van Emmen. In Wijster bevindt zich het absoluut hoogste punt van de provincie (40 meter), de VAM-berg, een afgedekte vuilnisbelt die het goed doet in wielerwedstrijden.
De randen van de provincie liggen een stuk lager, delen in het noordwesten en zuidwesten liggen zelfs onder NAP.
Drenthe staat bekend om zijn hunebedden. Van de 53 die in Nederland voorkomen staan er 51 in Drenthe. De overige twee in de provincie Groningen.
Bij Schoonebeek werd tot voor kort aardolie gewonnen en verspreid over de provincie wordt nog steeds aardgas gewonnen. Het hoofdkantoor van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), verantwoordelijk voor aardolie- en aardgaswinning, bevindt zich in Assen.
Landschap

Ruwweg ziet de provincie Drenthe er uit als een omgekeerd bord; het midden is relatief hoog en de randen liggen lager. Met uitzondering van de Hondsrug gaat het om een hoogteverschil van slechts enkele meters. Toch is er een duidelijk verschil in landschap, geschiedenis en bevolking tussen de twee delen.

Zandgebieden
Het centrale, iets hoger gelegen, deel van de provincie wordt gevormd door zandgronden, ook wel het 'oude Drenthe' genoemd. Hier vindt men van oudsher het esdorpenlandschap, dat gekarakteriseerd werd door brinkdorpen, essen, heidevelden en groenlanden in de beekdalen.
Veeteelt, vooral schapenteelt, stond in dienst van de landbouw. De mest van de schapen, die 's zomers weidden op de heide en 's winters gevoed werden met het hooi uit de beekdalen, werd vermengd met heideplaggen en gebruikt om de essen vruchtbaar te maken. Door deze vorm van bemesting kregen de essen hun karakteristieke bolle vorm. Door de uitvinding van de kunstmest, eind 19e eeuw, werd de schapenteelt minder belangrijk en konden grote delen van de 'overbodig' geworden heide velden worden ontgonnen als landbouwgebied.
Een ander deel van de heide werd bebost door het destijds opgerichte Staatsbosbeheer om in de toenemende houtbehoefte te voorzien. De groenlanden langs de beken worden tegenwoordig vooral als weideland gebruikt. De beken zijn bovendien op veel plaatsen rechtgetrokken. De essen zijn door ruilverkavelingen ook ingrijpend in aanzien veranderd.
Van de eens zo uitgestrekte heidevelden zijn nog maar enkele grote en een redelijk aantal kleine velden over. Anders dan honderd jaar geleden beschikt Drenthe nu wel over uitgestrekte bosgebieden, die overigens voor het ontstaan (door begrazing) van de heidevelden en (door kap) van de essen ook veelvuldig aanwezig waren.
Een van de weinige gave voorbeelden van een esdorpenlandschap is te vinden in het stroomgebied van de Drentsche Aa, ten noordoosten van Assen. Dit vrij unieke gebied is daarom (als enige cultuurlandschap) aangewezen als nationaal park: het Nationaal beek- en esdorpenlandschap Drentsche Aa.

De lager gelegen delen langs de grenzen van de provincie vormen de veengronden tot halverwege de 20e eeuw geleidelijk aan zijn ontgonnen voor de turfwinning. De grote veenmoerassen werden door kanalen en wijken ontwaterd, het veen werd afgegraven en daaruit werd turf afgestoken, wat naar elders vervoerd werd om als brandstof te dienen. In het vruchtbare en goed ontwaterde landbouwgebied dat hierdoor ontstond vestigden zich vervolgens veel boeren, die vaak van buiten de provincie kwamen.
Het landschap in de veengebieden wordt gekenmerkt door rechte lijnen met veel sloten, wijken en kanalen. Er is veel lintbebouwing te vinden. Plaatsnamen bevatten vaak woorden die verwijzen naar het (vroegere) landschap of de ligging, zoals veen, peel, moer, veld, wold, beek, kanaal, wijk, sloot en mond, of met nieuw naar de kolonisatie. De oudste veendorpen zijn Ruinerwold en Schoonebeek, die dateren uit de Middeleeuwen. Het jongste dorp van Drenthe is Witteveen, dat werd gesticht in 1926.
Er zijn ook twee gebieden over die niet (volledig) ontgonnen zijn en waar het oorspronkelijke hoogveen nog aanwezig is: het Bargerveen in het uiterste zuidoosten van Drenthe en het Fochteloërveen in het noordwesten op de grens met Friesland.

Kanalen
Omdat de riviertjes en beekjes doorgaans te smal waren om te bevaren, zijn ter verbetering van de bereikbaarheid en voor de afvoer van turf in de 19e eeuw veel kanalen aangelegd.
De belangrijkste zijn:
Drentsche Hoofdvaart (Meppel-Smilde-Assen)
Noord-Willemskanaal (Assen-Groningen)
Hoogeveense Vaart (Meppel-Hoogeveen)
Verlengde Hoogeveensche Vaart (Hoogeveen-Emmen)
Oranjekanaal (Smilde-Emmen)
Door de ontwikkeling van de autowegen is verkeer en vervoer over het water steeds minder belangrijk geworden. Tegenwoordig worden de kanalen vooral gebruikt voor de pleziervaart en als viswater
Copyright: Euregio Promotions 2002 - 2008